De farao stond aan de top van de samenleving

De term farao betekent eigenlijk 'groot huis' of paleis. Zijn persoonlijke woning was dan ook zeer indrukwekkend.

Toch is er van een lui leventje geen sprake. De farao had zijn handen meer dan vol met allerlei taken.
Enkele voorbeelden:
- hij was hoofd van het leger
- hij was hoofd van de adminstratie en financiƫn
- hij was hogepriester (goden eren)
- hij was opperrechter (straffen bij misdaad)

Een leger aan ambtenaren bestuurden het rijk
Gelukkig stond de farao er niet alleen voor!
Er waren een heleboel ambtenaren die de farao bijstonden in het dagelijks bestuur van het rijk. Egypte was dan ook een echte bureaucratie (= een heerschappij van ambtenaren). De meeste ambtenaren hadden banden met de koninklijke familie.
Maak even kennis met de belangrijkste functies in het Egyptisch rijk:

Aan de top van de ambtenaren stond de vizier. Hij regelde praktische zaken en trad op als hoogste rechter.
Het Egyptisch rijk bestond uit ongeveer veertig gouwen
(= een kleiner gebied, te vergelijken met een provincie). Aan het hoofd van elke gouw stond een gouwvorst.
Het deel "vorst" in hun naam wijst op hun belangrijkheid.
Onder machtige farao's waren gouwvorsten volgzaam, maar in tussenperiodes maakten zij misbruik van de zwakheid van de farao's.


Schrijvers maten de velden op en noteerden de landbouwopbrengsten. Dat was nodig om de belastingen in natura te betalen.
De Egyptenaren moesten een deel van hun landbouwopbrengsten afgeven aan de staat.
Schatbewaarders sloegen de belastingen op in magazijnen en tempels.


Priesters leidden de religieuze diensten en regelden de opbrengsten van de tempel. Allerlei goederen werden binnen de tempel opgeslagen en verhandeld: dit heet tempeleconomie.